" Toen bekend werd dat van de blanken die vroeger aan de Ogowe geleefd hadden al
tien gesneuveld zouden zijn,vroeg een oude inlander : " Waarom komen deze stammen dan
niet in vergadering bij elkaar om dit te bespreken Hoe kunnen zij dan al deze doden
betalen?"
" Al vanaf mijn eerste universiteitsjaren was ik begonnen te twijfelen aan de mening
dat de mensheid bezig was aan een zekere ontwikkeling naar vooruitgang. Bij zeer veel
gelegenheden moest ik vaststellen dat de openbare mening betreffende openlijk geuite
onmenselijke ideeën deze niet met verontwaardiging verwierp,maar veeleer toejuichte.
Nu woedde de oorlog als resultaat van de ondergang van de cultuur".
In het bewustzijn dat men niet verder komt door te klagen over de ondergang van de
cultuur,zocht Schweitzer naar nieuwe wegen om de opbouw van de cultuur mogelijk te maken.
Daarbij werd het hem duidelijk dat cultuur zeer nauw samenhangt met de levensopvatting.
Alleen diegene die "ja" zegt tegen het leven en de wereld waarin hij leeft is
ook in staat cultuur te scheppen. Het aanvaarden van het leven en van de wereld sluit
echter ethisch,d.i. juist,verantwoord handelen in zich.
Ethiek is het streven naar het ideaal van het goede.
" Nu begon ik naar uitspraken en overtuigingen te zoeken waarop de wil tot cultuur
en het vermogen deze te verwezenlijken, teruggrijpen.
Ik zag in dat de catastrofe van de cultuur voortkwam uit een catastrofe van de
wereldbeschouwing. Voor mij was een van de duidelijkste tekenen van de ondergang dat het
tot dusver verbannen bijgeloof in opkomst kwam".
" Maar wat is cultuur? Als het wezenlijke van de cultuur,is de ethische voltooiïng
van de enkelingen,alsook van de maatschappij te beschouwen. De wil tot cultuur is dus een
universele wil tot vooruitgang,die zich bewust is van het ethische als hoogste waarde
".
" Van welke aard is de wereldbeschouwing waarin de universele en de ethische wil tot
vooruitgang een basis vormen en met elkaar verbonden zijn? Zij bestaat in een ethische
wereld en levensaanvaarding".
Tevergeefs zocht Albert Schweitzer maandenlang naar een antwoord op de vraag hoe de
mens er toe kan komen zichzelf en de wereld te aanvaarden.
In september 1915 moest hij een langere tocht over de rivier ondernemen. Op de avond van
de derde dag schoot hem heel plotseling de uitdrukking " Eerbied voor het Leven
" te binnen. Wie over de wereld en zichzelf nadenkt merkt dat alles wat hem
omgeeft,planten,dieren,medemensen,evenzeer aan het leven hangt als hijzelf.
Wie dat heeft begrepen moet hen alle in liefde tegemoet treden. Uit eerbied voor
God,die ieder wezen het leven schenkt,opdat het zijn opdracht kan vervullen moet men
iedereen met achting behandelen en hem helpen met zijn levensvervulling.
Dat is het juiste gedrag wat de mens bij zijn schepping heeft meegekregen.
Wie dat doet,handelt goed.
" Wat is de eerbied voor het leven en hoe ontstaat het in ons"?
De meest directe zekerheid in het bewustzijn van de mens luidt :" Ik ben leven dat
leven wil,te midden van leven,dat leven wil ".
De mens is zich bewust van zijn wil tot leven te midden van wil tot leven,ieder ogenblik
waarin hij over zichzelf en over de wereld om zich heen nadenkt.
Tegelijkertijd voelt de denkend geworden mens de drang om aan alle wil tot leven dezelfde
eerbied voor het leven te schenken als aan zijn eigen leven.
Hij beleeft dat andere leven in het zijne.
Voor hem geldt als goed : leven behouden,leven bevorderen,nog te ontwikkelen leven tot
zijn hoogste waarde brengen ; als slecht : leven vernietigen,leven beschadigen,te
ontwikkelen leven onderdrukken.
Dit is het noodzakelijke absolute grondprincipe van het zedelijke.
De mens is slechts ethisch als voor hem het leven op zich,zowel van de planten en het
dier als dat van de mens heilig is en hij het leven dat in nood is helpt.
Slechts de universele ethiek van het gevoel van grenzenloze verantwoording jegens alles
wat leeft laat zich in het denken bevestigen.
De ethiek van de eerbied voor het leven behelst dus alles wat als
liefde,overgave,medelijden en medeleven kan worden aangeduid.
Laatste wijziging op 2.7.1999